Een sprookje over delen

Heel lang geleden leefden er in een land hier heel heel ver vandaan , in een koninkrijk, dat toch wel iets van ons landje had, twee jongens. De ene heette Ferdinand en de andere Frans. Ze zaten op dezelfde school bij elkaar in de zelfde klas en ze waren onnoemelijk rijk. Ze waren zo rijk dat al hun speelgoed van goud was. Zo rijk dat zij met al hun bediendes elke week naar de Efteling konden gaan om daar alleen met zijn tweetjes in de achtbaan te zitten en rond te varen in het paleis van duizend en een nacht. Ze hoefden nooit ergens voor te wachten of te werken. Het ontbrak hun aan niets. Ze hoefden maar een wens te uiten en hij werd vervuld. Zoals je schoen op Sinterklaas. In rijkdom waren zij aan elkaar gelijk , maar niet in goede deugden of daden. Frans hielp altijd oude vrouwtjes oversteken terwijl Ferdinand hun vertelde, dat ze niet zo stom hadden moeten zijn om te gaan wandelen als ze zo slechts ter been waren en geen knip voor de neus konden zien Hoe ze zo rijk geworden waren. Niemand die het wist al deden er wel verhalen in het dorp de ronde over een drakenschat. Toen ze ouder werden wilden ze ook trouwen. Zo gaat dat met jongens, die mannen worden. En Ferdinand werd verliefd op de prinses van het koninkrijk een echt pronkstuk en wilde haar tot vrouw. Hij gaf haar een diamanten verlovingsring van wel 4 miljoen euro en haar vader de koning beloofde hij een stal vol paarden en olifanten. Daar had de koning wel oren naar en hij gaf als onderdeel van de koop toestemming om zijn enige dochter te trouwen. Frans aan de andere kant was helemaal hotel de botel van de dochter van de molenaar. Femke een fier meisje met een lelieblanke huid. Altijd sneeuwwit van het meel want ze hield zielsveel van broodbakken. Dat was handig want zo had Frans altijd vers witbrood voor zijn ontbijt en slagroomtaart bij de koffie. Ferdinand trouwde de prinses ,Mathilde was haar naam, en zij trok in bij Ferdinand met al haar dertig lakeien en twintig hofdames. Ferdinand moest dus wel een reusachtig paleis voor die hele menagerie laten bouwen. Maar dat scheelde hem niets. Hij deed er nog een overdekt zwembad bij. Frans ging met zijn Femke in de molen van haar vader wonen. Ook dat scheelde hem geen zier. Want echte liefde maakt van de nederigste stulp nog zoiets als paleis Noordeinde. Hij kon het zich wel heel goed veroorloven , maar het hoefde niet zo nodig van hem. Voor de oude molenaar was het wel zo gezellig kon zijn dochter ook voor hem nog wassen en koken. Wat ze graag deed want ze hield heel erg veel van haar vader. Ferdinand daar en tegen ging elke dag met zijn prinses uit rijden om in een gouden koets met haar te pronken en zo te worden bewonderd. Kwamen er echter bedelaars bij hem aan de achterdeur om om een kom soep te smeken en een korst brood dan werden ze door hem en zijn honden direct weer weggejaagd Zonder eten met alleen maar de goedkope raad te gaan werken voor de kost en niet zo te zwieren en te slampampen en niet te profiteren van de goedheid der mensen. Als ze bij Frans kwamen vroeg Frans hun binnen en node hen aan te zitten aan zijn welgevulde tafel en van alles te eten wat hun ogen en maag begeerden. En van zijn vrouw Femke kregen zij vers wit brood. Want zij had een groot en moederlijk hart voor de zwakkeren. En als zij verzadigd waren na nog een stukje taart vroeg Frans hun waarom zij zwierven. Hij luisterde dan lang en aandachtig zonder ze te onderbreken. Als hij hun verhaal had aangehoord haalde hij geroerd zijn beurs met goudstukken te voorschijn en zei; “Neem alles wat je nodig hebt om een goed bestaan op te bouwen en een goed vak te leren. En zo werd de ene bedelaar bakker , een ander boer ,een volgende smid en de daaropvolgende schoenmaker en zo verder. En zo verder. Bescheiden als hij was vroeg Frans geen enkel onderpand. Hij zei alleen maar; Het geschenk is door het te mogen geven al ruimschoots betaald. Dat waren zijn eenvoudige eerlijke woorden en zij die ze hoorden sloten ze in hun hart om nooit meer te vergeten.

Nu wil het ongeluk, dat op een hele donkere nacht een vreselijke storm losbarstte. Zo hevig onweerde het, dat het wel leek of God zelf met de pannen gooide. Het regende echt bezemstelen. De bliksem was niet van de lucht en plots met een hevige donderslag sloeg een bliksemflits in. Tegelijk het paleis van Ferdinand en de molen van Frans met een akelig wit licht omhullend. Met een donderend lawaai vlogen beiden gebouwen in brand en aan het eind van deze treurmars stortte het paleis en de molen in. Er was niets meer over dan wat verkoolde balken en brokken puin . Daar zaten ze nu Ferdinand op de ruïnes van zijn paleis met Mathilde naast zich, die huilde. Het is verdomme om te vloeken, zei hij ik ga wel tussen de puinhopen opzoek naar mijn geld. Het moet hier ergens zijn . Maar veel geld had hij verspild aan domme bezittingen als een gouwenkoets en zijden hondenmanden dure kitschschilderijen en andere nutteloze snuisterijen om mee te pronken. Er was dus niet meer zoveel over en wat er was was verbrand want ook goud kan wegsmelten in de hitte van het hellevuur. Prinses Mathilde bleef alsmaar zeuren en klagen tot hij er gek van werd. Ook Frans zat daar in de donkere nacht met zijn Femke aan zijn zij. Stevig gearmd. Elkaar verwarmend. In het oosten werd het al licht. Kom zei zij in de bleke dageraad, het is maar goed, dat je zoveel van je geld hebt weggeven . Nu is het niet verloren. Laten we niet bij de pakken neerzitten. Ik kan nog altijd voor een bakker het meel malen. Ik heb twee sterke armen aan mijn lijf . We rooien het wel want het mooiste wat wij hebben bewaren wij in ons hart . Onzer liefde voor elkaar. Dat kan geen brand scheiden. En ze gingen welgemoed op weg. Ook Ferdinand ging zwerven en bedelen om voedsel of een aalmoes .Prinses Mathilde had hij moeten achter laten . Haar tere voeten gewend aan zachte zijden sloffen konden de stenen op de heerweg niet aan. Blaren kreeg ze er van en vermoeide voeten.

Frans en Femke gingen na een tijdje zitten in een warme greppel en vielen omdat ze die nacht weinig geslapen hadden weldra in slaap. Bij het wakker worden stond er een boer voor hun, die zei: Waar ken ik jullie toch van. Jullie gezicht komt me bekend voor. Want ja ze zaten onder het stof en het vuil van de brand. O ja nu weet ik weer jij bent Frans en zij is Femke. Lang geleden hebben jullie mij eten en onderdak geboden. Ik ben Hans. Kom alsjeblieft mee naar mijn huis. Ik ben blij dat ik je nu eindelijk met gelijke munt kan terug betalen. Ze gingen naar de welvarende boerderij van Hans de boer en deze zei: Alles wat ik bezit heb ik aan jou te danken Frans. De helft van mijn boerderij is van jou. Ach dat hoeft niet zij Frans maar wat koeien en schapen om opnieuw te beginnen zouden meer dan welkom zijn . Neem , neem zei boer Hans kies de beste pinken en ooien uit. Zo gingen Frans en Femke verder op weg met een kleine veestapel achter zich aan. Ferdinand kwam ook bij een boerderij. Waar ook hij herkent werd door de boer. Deze zei hem; Ik zal geen kwaad met kwaad vergelden hier heb je een kom soep een halve worst en wat brood. Als je het op hebt vraag ik en mijn honden je vriendelijk doch dringend verder te gaan. En zo gebeurde. En waar Frans en Femke ook kwamen overal troffen zij mensen, die zij hadden geholpen en alle deuren gingen voor hun open. Zij kregen meer dan genoeg om een eenvoudig en rustig bestaan op te bouwen en Femke kon blijven malen en witbrood bakken Al hadden zij het wat minder breed dan vroeger toch nog steeds kwam niemand te vergeefs vragen aan hun deur. En Ferdinand, ja die moest helaas blijven zwerven, omdat hij nooit een vak geleerd had. Want rijk zijn is geen vak . Van rijk-dom alleen kan een mens niet leven. Rijkdom moet je delen dan wordt iedereen gelukkig. En de prinses? Gelukkig uiteindelijk hoorde haar vader van haar ongeluk en hij kwam haar halen op een olifant, die hij nog van Ferdinand gekregen had en zoals een goed sprookje betaamt blies die met zijn hele lange snuit klip en klaar dit hele sprookje uit.

Ludo 23-04-2018